Vereniging der Joden in België

  • Association des Juifs en Belgique
Identifier
Vereniging der Joden in België
Language of Description
Dutch
Level of Description
Record group
Source
EHRI Partner

Biographical History

De Vereniging der Joden in België (VJB) – Association des Juifs en Belgique (AJB) werd eind 1941 opgericht op initiatief van de door Heinrich Himmler geleide veiligheidsdiensten. Door de creatie van een representatieve instelling voor de hele Joodse bevolking in België hoopte de bezetter zowel de maatschappelijke isolatie van de Joden als de uitvoering van de anti-Joodse politiek te bevorderen. De VJB, aanvankelijk geleid door Salomon Ullmann, stond de facto onder controle van de Militärverwaltung en de Sipo-SD. De centrale zetel van de VJB bevond zich in Brussel, met lokale afdelingen in Antwerpen, Brussel, Charleroi, Gent en Luik. Vanaf de herfst van 1943 bleef enkel de Brusselse tak over. De VJB-afdelingen werden in hoofdzaak geleid door geïntegreerde Joden uit de bourgeoisie – doorgaans notabelen die al voor de oorlog leidende functies in de Joodse gemeenschap(pen) uitoefenden. In een eerste fase (januari 1942 – eind juni 1942) was de instelling vooral actief op vlak van de organisatie van de Joodse liefdadigheid en het onderwijs, gescheiden van de bredere Belgische samenleving door de anti-Joodse verordeningen. De VJB beheerde o.a. een aantal homes voor kinderen en bejaarden. De deportatie van Joden naar Noord-Frankrijk om er onder dwang voor de Organisation Todt aan de Atlantikwall te werken, luidde het begin in van een tweede fase (juni 1942 – september 1943), waarin de VJB belast werd met de voorbereidingen van de fysieke verwijdering van de Joden uit België, culminerend in het versturen van de ‘tewerkstellingsbevelen’ waardoor Joden zich in de Dossinkazerne moesten aanmelden. Vanaf september 1943 ten slotte focusten de VJB-leiders, die na de razzia’s en deportaties nauwelijks nog illusies koesterden over de rol van de VJB, vooral op het in veiligheid brengen van familie, vrienden en zichzelf. De VJB werd uiteindelijk in augustus 1944 opgedoekt. De tragische en uiterst complexe rol van de VJB is nauwelijks te vatten in binaire schema’s van collaboratie en verzet. Het gaat eerder over een houding van accommodement (tegemoet komen) van de bezetter, waarin naast de persoonlijkheid van de VJB-leiders ook hun legalisme en burgerlijk conformisme factoren waren. Als instrument van de bezetter bleek de VJB echter minder volgzaam dan werd gehoopt. De “curatoren” van het “legale getto”, geklemd “tussen verplichting en noodzaak”, voerden een actieve politiek om de impact van de anti-Joodse verordeningen zo laag mogelijk te houden en te voorzien in de dagelijkse sociale, culturele, economische en religieuze behoeften. Tot de razzia’s in de herfst van 1942 lijkt de VJB dan ook het vertrouwen gehad te hebben van een aanzienlijk deel van de Joodse bevolking. De relatie van de VJB met het verzet was ambigu; bepaalde functionarissen (o.a. Perelman, Heiber) waren tegelijk lid van het Comité de Défense des Juifs. Na de oorlog werd een onderzoek naar de VJB in het kader van de repressie tegen het incivisme zonder gevolg geklasseerd. Voormalige VJB-leiders (o.a. Ullmann, Blum, Van den Berg) behielden eminente posities binnen bepaalde Joodse instellingen. Om pragmatische redenen werd een deel van het VJB-personeel geïntegreerd in de organisatie Aide aux Israélites Victimes de la Guerre. Teneinde een totale desintegratie van het georganiseerde Joodse gemeenschapsleven door een interne epuratie te vermijden, werd lange tijd een strategie van pacificatie gevoerd en een debat over de VJB uit de weg gegaan. Pas in de jaren 1960 kwamen eerste voorzichtige pogingen (vooral wat betreft de VJB in Brussel en Luik). Vandaag is de rol en de erfenis van de VJB nog steeds een uiterst gevoelig en controversieel thema binnen de Belgische Joodse gemeenschap(pen).

This description is derived directly from structured data provided to EHRI by a partner institution. This collection holding institution considers this description as an accurate reflection of the archival holdings to which it refers at the moment of data transfer.
2 Items