Archief van de Gemeentepolitie

Identifier
NL-SAA-400299
Language of Description
Dutch
Dates
1 Jan 1803 - 31 Dec 1956
Level of Description
Fonds
Languages
  • Dutch
Source
EHRI Partner

Scope and Content

Inleiding

De ontwikkeling van de organisatie van de Amsterdamse Gemeentepolitie, 1814-1946

De organisatie van de politie als dienst

Op 25 maart 1811 werd voor het gehele Franse Keizerrijk een centrale organisatie van de politie ingevoerd. Aan het hoofd van de politie in het Franse Rijk werd een minister van politie gesteld met daaronder vier directeuren-generaal. Te Amsterdam werd Devillers Duterrage aangesteld als directeur-generaal over 'Holland'. Amsterdam werd verdeeld in twaalf arrondissementen. Aan het hoofd van elk arrondissement stond een commissaris (1). Het herstel van de Nederlandse soevereiniteit betekende dat de Franse organisatie van de politie werd ontbonden. Op 30 november 1813 stelde het Algemeen Bestuur een commissaris-generaal aan met als zetel Rotterdam. De instelling van deze functie werd bevestigd bij Koninklijk Besluit van 12 december 1813. De commissaris-generaal werd als hoofd van een afzonderlijk departement direct onder de koning gesteld (2). De functie werd bij K.B. van 2 februari 1814 weer opgeheven. Het bestuur over de politie werd opgedragen aan een afzonderlijke afdeling van de procureur-generaal bij het Hoog Gerechtshof te 's Gravenhage. In 1818 werd deze afdeling opgeheven, maar het beheer over de politie bleef in handen van de procureur-generaal, die ondergeschikt was aan de minister van justitie. Bij Koninklijk Besluit van 10 juli van datzelfde jaar werd het beleid inzake de politie opgedragen aan de procureurs-crimineel in de verscheidene provincies. Daartoe werd in 1819 een instructie vastgesteld (3). In de grote steden werden bij de overgang van het Franse naar het Nederlandse bestuur directeuren van politie aangesteld. De positie van deze directeuren werd formeel vastgelegd bij K.B. van 22 januari 1820 en bij K.B. van 3 november 1822. Daarnaast werden bepalingen omtrent het plaatselijk beheer over de politie in de steden opgenomen in de reglementen der steden, gearresteerd bij K.B. van 4 januari 1824. Het reglement van de directeuren van politie in de grote steden van het rijk van 1822 bepaalde dat de directeur bij K.B. werd benoemd. Het reglement was verdeeld in twee hoofdstukken. Het eerste bevatte artikelen betreffende de gewone of plaatselijke politie en het tweede betreffende de rechterlijke politie. In het reglement voor het bestuur der steden van 1824 luidde art. 88: 'De Burgemeester en Wethouders hebben het bestuur en oppertoezicht over al hetgeen de dagelijkse gewone policie, de handhaving der keuren [...] betreft' (4).

In het reglement voor de directeuren van politie stond in hoofdstuk één:

'De Stedelijke Directeuren van Politie in de groote steden van het Rijk, zijn belast met de uitvoering van de wetten en verordeningen op het stuk der gewone of plaatselijke Politie' (5).

In het tweede hoofdstuk omtrent de rechterlijke politie stond in art. 14:

'De Directeuren van Politie zullen zorgen, dat [...] worde acht gegeven op al hetgeen kan strekken tot voorkoming van misdaden, misdrijven en overtredingen en zullen, wanneer zoodanige gepleegd zijn, naar dezelve en naar de daders vereischte nasporingen doen, ten einde justitie in staat te stellen, om de schuldigen overeenkomstig de wetten te vervolgen'.

In art. 15 volgde daarop:

'Zij zullen, ten opzigte van dit gedeelte hunner werkzaamheden, onmiddellijk aan de Procureurs-Generaal, Procureurs-Crimineel en verdere ambtenaren van het openbaar Ministerie, onderworpen zijn; zij zullen hunne bevelen en beschikkingen daaromtrent naauwkeurig naleven' (6). Er bestond dus een onderscheid tussen de gewone plaatselijke politie, waarvan de directeur de leiding had en de burgermeester het bestuur en toezicht uitoefende, en de zogenaamde rechterlijke politie, waarover de procureur-generaal bij het Hoog Gerechtshof het beheer voerde. Zowel in het reglement van directeuren als in een afzonderlijk K.B. van 8 maart 1828 was bepaald dat de plaatselijke besturen gerechtelijke nasporingen niet mochten verhinderen. Het is belangrijk te onderkennen dat het hier gaat om verschillende politietaken, uitgevoerd door de politie in één gemeente. Het beheer over de politie berustte niet alleen bij de minister van justitie. Via de gemeentelijke besturen en de gouverneurs in de provincie had ook de minister van binnenlandse zaken zeggenschap over de politie. Zo kwam het voor dat eenzelfde zaak werd behandeld op zowel het ministerie van justitie als op het ministerie van binnenlandse zaken. In 1842 is daarom besloten tot een verdeling van taken. Het toezicht op het armwezen en het administratief en financieel beheer van de openbare wegen, alsmede over plaatselijke reglementen, keuren en octrooien kwamen onder het ministerie van binnenlandse zaken. De zogenaamde preventieve justitie, dat wil zeggen zaken betreffende de 'openbare geest', de openbare orde, de vreemdelingen en paspoorten, openbare vermakelijkheden, publieke vrouwen en dergelijke, kwam onder het ministerie van justitie. Op provinciaal niveau is echter het toezicht door zowel de procureur-generaal als de gouverneur blijven bestaan. Door de invoering van de Nederlandse organisatie van de rechterlijke macht op 1 oktober 1838 was de functie van procureur-generaal bij het Hoog Gerechtshof vervallen. Het beleid en toezicht over de politie werd bij K.B. van 27 september 1838 overgedragen op de procureurs-generaal van de provinciale gerechtshoven. Daarbij bleef de instructie van 1819 voor de procureurs-crimineel van kracht (7). De gemeentewet van 1851 betekende een wijziging van de positie van de gemeentepolitie. De gemeentepolitie berustte onder de bevelen van de burgemeester, die nu feitelijk het hoofd van de gemeentepolitie werd. In Amsterdam werden politionele zaken ondergebracht bij de afdeling algemene zaken van de gemeente-secretarie. Raad en B & W zijn verantwoordelijk voor de totstandkoming van een algemene politieverordening en het beleid in deze. De functie van directeur van politie werd afgeschaft. Per 1 januari lag de dagelijkse leiding van de gemeentepolitie in handen van een hoofdcommissaris van politie. Commissarissen van politie worden benoemd bij Koninklijk Besluit, de overige dienaren van de gemeentepolitie worden door de burgemeester benoemd op voordracht van de (hoofd)commissaris. Bij maatregel van inwendig bestuur van 17 december 1851 (Stsbl. 166) werd een rijkspolitie ingesteld. Als directeuren van de rijkspolitie fungeerden de procureurs-generaal bij de provinciale hoven (8). Ook nu werd de politie in een gemeente belast met taken de rijkspolitie betreffende. In de gemeentewet (art. 190) was al bepaald dat het personeel van de gemeentepolitie onder de bevelen stond van de burgemeester, maar dienstbaar was aan de rijkspolitie: 'De commissarissen en dienaren van politie of veldwachters, tevens aan de algemeene of Rijkspolitie onder het daarmede belast gezag, dienstbaar, staan, voor zooveel de gemeentepolitie betreft, onder de bevelen van den burgemeester' (9). De gemeentepolitie bleef dus belast met gemeentelijke politietaken (handhaving gemeentelijke verordeningen en bevelen) en met taken betreffende de rijkspolitie. De taken van de directeuren van rijkspolitie worden beschreven in art. 5 van het besluit van 17 december 1851: 'Zij (directeuren) waken voor de handhaving van de wetten, reglementen van algemeen bestuur en van Onze besluiten, voor de rust en veiligheid van den Staat, voor de bescherming van personen en goederen, zij zorgen in bijzonderheid dat de voorschriften der wet van 13 Augustus 1849 (Staatsblad no.39), regelende de toelating en uitzetting van vreemdelingen, in de gemeenten van hun district behoorlijk en op gelijken voet worden nageleefd. In het nasporen van misdrijven, die zij niet hebben kunnen voorkomen, zijn zij der Justitie behulpzaam, overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering, en de bijzondere instructiën van Onze Minister van Justitie' (10).

Waarneming van het openbaar ministerie bij de kantongerechten

De wet op de samenstelling van de rechterlijke macht en het beleid der justitie bepaalde dat het openbaar ministerie bij het kantongerecht werd waargenomen door het hoofd van het plaatselijk bestuur. Deze functie kon worden overgedragen aan een commissaris van de politie in de gemeente. In Amsterdam was al vanaf 1814 tot 1819 een speciale commissaris belast met de dienst der justitie. Van 1819 tot 1844 was één van de commissarissen van de politiekantons belast met de waarneming van het openbaar ministerie bij het kantongerecht naast zijn taak als hoofd van het kanton. Vanaf 1844 was er een commissaris met deze functie werkzaam aan het hoofdbureau (11). Toen in 1856 door een bezuiniging het aantal secties werd teruggebracht van zes naar vijf, werd de disponibele commissaris aan het hoofdbureau toegevoegd als tweede commissaris belast met het openbaar ministerie. De functie van het openbaar ministerie werd onttrokken aan het hoofd van het plaatselijk bestuur bij art. 35 der Wet van 9 april 1877, nr 72. Deze commissarissen behandelden bij het wegvallen van deze taak in 1877 zo'n 5000 vonnissen per jaar (12).

Kantons en secties

De stad werd verdeeld in zes kantons. Aan het hoofd van een kanton stond een commissaris van politie. In 1821 waren de bureaus van de kantons gevestigd op de volgende adressen: kanton I Muiderstraat 6, kanton II St. Anthonies Waag op de Nieuwmarkt, kanton III Kloveniersburgwal (ten huize van de onderdirecteur), kanton IV het voormalig accijnshuis aan de Oudebrug, Kanton V Raampoort en kanton VI Haarlemmerpoort (13). Met zekere regelmaat werd het aantal kantons gewijzigd. Zo werd het aantal kantons in 1836 teruggebracht van zes naar vier. Tevens veranderden de adressen. In 1844 werd het aantal weer gebracht op zes om in 1856 ten gevolge van een bezuiniging weer op vijf te worden gebracht. In 1896 waren er weer zes secties (in 1844 was de benaming van kanton in sectie veranderd). Vanaf 1918 zou het aantal secties snel groeien. In 1918 werd een zevende en een achtste sectie gevormd. In 1920 waren er tien secties en in 1922 waren er dertien. In 1930 werd dit aantal weer teruggebracht tot twaalf. Tegenwoordig spreekt men van districten.

Nachtwacht

De nachtwacht die in de Franse Tijd was opgeheven, werd in 1813 weer ingesteld. Zij stond onder leiding van drie commissarissen ter superintendentie van het nachtwachtwezen. De nachtwacht viel onder het gezag van de directeur van politie maar was administratief autonoom. Bij raadsbesluit van 31 mei 1843 werd bepaald dat het nachtwachtwezen moest worden opgenomen in de organisatie van de gemeentepolitie. De feitelijke autonomie van de nachtwacht werd hierdoor dus opgeheven. In 1881 werd tenslotte het gehele nachtwachtwezen als onderdeel van de gemeentepolitie ontbonden (14).

De organisatie van het hoofdbureau

In 1816 waren er aan het hoofdbureau naast de directeur een secretaris, een onderdirecteur die tevens commissaris was van kanton III en was belast met de waarneming van het Openbaar Ministerie bij de rechtbank van enkele politie, en een commissaris die belast was met de dienst der justitie (15). In de tweede helft van de negentiende eeuw ontstonden er aan het hoofdbureau verschillende afdelingen.

De organisatie in 1878

J.C. van Leeuwen beschrijft in 1878 de indeling van het hoofdbureau (16). Het hoofdbureau bestond in 1878 uit verschillende kamers, c.q. afdelingen. De afdeling comptabiliteit, waaronder ook de inspecteurskamer viel, had als taken de zorg voor het onderhoud van gebouwen, de zorg voor de beschikbaarstelling van materialen en de verzorging van de uniformen. De afdeling personen en goederen behandelde de buitenlandse correspondentie en zaken betreffende personen en aangifte van goederen. Het bureau voerwezen had als taak het bijhouden van registers bevattende de namen van de voermannen in de gemeente, de afgifte van 'boekjes' ten behoeve van de voermannen en de afgifte van de 'letters' die op hun wagens moesten worden bevestigd. Op het bureau paspoorten werkten twee personen onder toezicht van een inspecteur. Van Leeuwen omschrijft niet de taak van het bureau. De commissarissen, die in 1877 disponibel werden door de onttrekking van de waarneming van het openbaar ministerie aan de politie (zie boven), werden nu belast met de inning van de belasting op de toneelvoorstellingen en hadden toezicht op de publieke vermakelijkheden.

De organisatie van 1878 tot 1908

In 1878 vond een reorganisatie plaats waarbij aan het hoofd van de gemeentepolitie twee hoofdcommissarissen werden geplaatst met aparte taken. Eén van de hoofdcommissarissen werd belast met justitiële zaken, de ander functioneerde als feitelijke hoofd van de gemeentepolitie. Uit dienstregeling Nr.1 uit 1878 blijkt dat er zes afdelingen aan het hoofdbureau bestonden. Deze afdelingen hebben geen naam. De onderwerpen van bemoeienis worden wel vermeld: Afdeling I: administratie, het financieel beheer, kleding, wapens, gebouwen en meubels; Afdeling II: 'dienstzaken', sollicitaties en sluizen en bruggen; Afdeling III: paspoorten en vreemdelingen en 'geheim archief'; Afdeling IV: personen, goederen, processen-verbaal, gratificatiën en ontslagen veroordeelden; Afdeling V: openbare vermakelijkheden, algemene zaken, uitstallingen, openbare middelen van vervoer, bouwen en slopen, tapperijen en marktwezen; Afdeling VI: voerwezen. In 1888 wordt in een dienstvoorschrift de taakverdeling tussen de twee hoofdcommissarissen vastgelegd (17). De taken werden verdeeld over drie administratieve afdelingen aan het hoofdbureau, namelijk recherche, algemene dienst en geldelijk beheer. Eén hoofdcommissaris was als chef der recherche belast met de taken betreffende de uitvoering van de vreemdelingenwet, het algemeen personenregister, het register processen verbaal ten dienste van justitie, het toezicht op de executie van kantonale vonnissen en met het beheer over de afdelingen personen, goederen, ontslagen veroordeelden, gratificatiën, reis- en verblijfpassen. De tweede hoofdcommissaris was als chef van de afdelingen algemene dienst en geldelijk beheer feitelijk belast met de dagelijkse leiding het korps en was belast met de taken betreffende de gemeentelijke politie (orde en tucht binnen het korps, de benoeming, bevordering, beloning, bestraffing en het schorsen van personeel, geldelijke administratie, belasting op toneelvertoningen, openbare vermakelijkheden, marktwezen, toezicht op bediening sluizen en bruggen, tevens op de desinfectiedienst en op het militaire logement, controle op het gebruik van openbare gemeentegrond en het openbare gemeentewater, de administratie van de vergunning tot verkoop van sterke drank in het klein) en met het beheer van de afdelingen dienstzaken, algemene zaken en het voerwezen. Blijkbaar vielen onder de drie administratieve hoofdafdelingen verschillende bureaus die al in 1878 bestonden.

De organisatie van 1908 tot 1920

Een algemene instructie voor ambtenaren van de politie uit 1908 (18) geeft een indeling van het hoofdbureau in zeven afdelingen; bureau algemeen beheer, bureau centrale recherche, bureau centrale controle, bureau algemene dienstzaken, bureau voerwezen, bureau comptabiliteit en bureau bereden politie, dat in 1916 werd samengevoegd met het voerwezen (19). Het hoofdbureau bestond dus, evenals in 1878, uit zes bureaus waarvan de taken hieronder worden weergegeven. Bureau algemeen beheer: algemeen beheer en dienstzaken van het personeel met uitzondering van het administratieve gedeelte der sollicitaties; Bureau centrale recherche: dienst der paspoorten, vreemdelingen, zedendienst, bertillonage, dactyloscopie, fotografie, logementen, nasporingen betreffende personen en goederen, gevonden voorwerpen, gratificatiën en ontslagen gevangenen; Bureau centrale controle: controle van het gehele politiepersoneel in alles wat met de bewakingsdienst, controle- en wachtdienst in verband staat, voorzover betreft het aan de hoofdinspecteur (=hoofd) centrale controle ondergeschikte personeel. Daarnaast toezicht op de juiste handhaving der algemene politieverordening, de administratie der sollicitanten en de opleiding van jonge agenten. Een inspecteur van centrale controle neemt de nachtdienst op het hoofdbureau waar; Bureau alg. dienstzaken: algemene administratieve zaken, zoals aanvragen tot het innemen van de openbare weg en het openbaar gemeentewater, aanvragen betreffende gebouwen, toepassing van bijzondere wetten (drankwet, arbeidswet, ijkwet, boterwet, besmettelijke ziektewet, wet hondsdolheid, etc.), verzoeken tot het houden van optochten, volksfeesten en dergelijk en het opvangen van dieren op de openbare weg; Bureau voerwezen: Onderverdeeld in voerwezen en bereden politie (bereden brigade en reserve brigade); behandelt alle aangelegenheden het voerwezen betreffende; Bureau comptabiliteit: Het hoofd van het bureau is ter zake van zijn rekenplichtig beheer verantwoording schuldig aan de administrateur van de gemeentefinanciën aan het stadhuis.

De organisatie van 1920 tot 1927

Uit voorschriften betreffende de politiedienst blijkt dat op 2 augustus 1920 aan het hoofdbureau tien bureaus hebben bestaan (20). De vreemdelingendienst werd als een zelfstandig bureau genoemd. Daarnaast heette het voerwezen voortaan verkeerswezen en was de bereden politie een apart bureau. Nieuwe bureaus waren het bureau recherche administratie en het bureau zeden- en kinderpolitie. In 1922 werd de vreemdelingendienst weer samengevoegd met het bureau centrale recherche. Het bureau comptabiliteit werd daardoor het vierde bureau aan het hoofdbureau (21). Het dienstverslag over 1923 geeft de adressen van de verschillende bureaus. Het hoofdbureau was gevestigd aan de O.Z. Achterburgwal 185. In het hoofdbureau waren gevestigd het eerste bureau, het derde, het vierde, het zesde en het achtste bureau (resp. de bureaus algemeen beheer, recherche administratie, comptabiliteit, centrale controle en verkeerwezen). Het tweede bureau centrale recherche en vreemdelingendienst was gehuisvest op het adres Spinhuissteeg 5, evenals het zevende bureau algemene dienstzaken. Het vijfde bureau kinder- en zedenpolitie en het achtste bureau verkeerswezen waren gevestigd op het adres Kloveniersburgwal 72. Het negende bureau bereden politie was tenslotte gevestigd op de Overtoom 33. Deze organisatie bleef gehandhaaft tot 1926. In dat jaar werd de zedenpolitie een zelfstandig bureau gevestigd aan de Reguliersgracht 111. Als hoofd van het bureau trad het hoofd van de kinderpolitie op die dus twee bureaus leidde. Op 18 juli 1927 werden de bureaus algemeen beheer en centrale controle samengevoegd. Het werkje De Amsterdamse politie, uitgegeven in 1929, noemt de negen bureaus met de taken daarvan (22). Bureau algemeen beheer: personeelszaken, maatregelen bij demonstraties, stakingen, vergaderingen, koninklijk bezoek, controle van het personeel (eerder uitgevoerd door het opgeheven bureau centrale controle) en toezicht op het materiaal, zoals boten; Centrale recherche: de nasporing van personen en goederen, de uitvoering van de vreemdelingenwet en het vestigingsverdrag. De vreemdelingendienst was dus een onderdeel van het bureau centrale recherche (23); Recherche administratie: ingekomen stukken van justitiële aard en stukken niet voortvloeiende uit bijzondere wetten, zoals onderzoek inzake op te richten vennootschappen, goedkeuring statuten, bewijzen van goed gedrag, buitenlandse paspoorten etc. en hield een kaartsysteem bij van verdachte personen; Bureau comptabiliteit: het geldelijk beheer en was belast met de onderhoud van gebouwen; Bureau kinderpolitie: de bescherming van het kind in samenwerking met instellingen die op dat terrein werkzaam waren (kinderbescherming, voogdijraad); Bureau zedenpolitie: de verzameling van gegevens omtrent prostituees, souteneurs, de bescherming en opvoeding ten opzichte van meisjes en de handhaving van verordeningen op dat gebied; Algemene dienstzaken: de algemene administratie voortvloeiende uit bijzondere wetten, behandelde verzoeken om vergunningen volgens verordeningen en verzoeken tot het houden van feesten, tentoonstellingen etc.; Bureau verkeerswezen (voor 1915 voerswezen): zaken betreffende het verkeer en de verkeersregeling; Bureau bereden politie: de bewaking te paard en begeleiding van optochten en het optreden bij bijzondere gebeurtenissen. Deze indeling bleef gehandhaafd tot 1940 (zie schema). In 1940 werd de vreemdelingendienst weer een zelfstandig bureau, onafhankelijk van de centrale recherche. Bovendien werd de centrale controle weer een zelfstandig bureau, waaronder nu ook de hondenbrigade, de politieboten en de motorbrigade ressorteerden (24). Er waren dus 11 bureaus.

De organisatie vanaf 1941

In 1941 viel de verhuizing naar het nieuwe hoofdbureau van politie aan de Elandsgracht samen met een reorganisatie van de politie. Als onderdeel van de dienst hoofdbureau vermeldt het dienstverslag over het jaar 1941 als eerste bureau het kabinet van de hoofdcommissaris en de staf der ordepolitie (geuniformeerde dienst of straat- en bewakingspolitie). De vreemdelingendienst werd nu als tiende bureau genoemd. Het negende bureau werd niet vermeld. De taken van het achtste bureau bereden politie waren met ingang van 10 november verdeeld over een onderdeel van de ordepolitie (het actieve gedeelte) en een commissaris toegevoegd voor de administratie (het administratieve gedeelte). Door de instelling van een kabinet van de hoofdcommissaris werden de bureaus algemeen beheer en centrale controle opgeheven. Het kabinet van de hoofdcommissaris behandelde alle zaken betreffende het algemeen beleid en zaken van vertrouwelijke aard, alle personeelszaken (uitgezonderd personele zaken betreffende de ordepolitie) en behandelde ook alle ingekomen stukken. Tevens werd voorlichting gegeven aan de pers, werden alle verslagen samengesteld en werden alle voorschriften door het kabinet gegeven. De staf der ordepolitie viel onder een commissaris die belast was met de algehele leiding en het beheer over de ordepolitie. De staf, die onder hem ressorteerde, bestond uit vijf afdelingen (S I t/m V): Afdeling S I was belast met de organisatie en aanwending van het personeel, maatregelen van orde te land en te water, bewaking in de meest uitgebreide zin, kleding, bewapening, uitrusting, legering van personeel en luchtbescherming voor zover aan de politie opgedragen; Afdeling II behandelde personeelszaken betreffende de ordepolitie en was belast met de opleiding van en controle over het personeel; Afdeling III had de algehele leiding over het actieve gedeelte van het verkeerswezen. Verder voerde zij het centraal beheer over en oefende tegelijk toezicht uit op het rijdende materieel;

Afdeling IV beheerde de waterpolitie;

Afdeling V was belast met het beheer van de bereden afdeling;

Onder de staf van de ordepolitie ressorteerde eveneens het politiebataljon Amsterdam en de hondenbrigade. Het politiebataljon was 15 mei 1941 opgericht. Aan het hoofd stond een bataljonscommandant (staf) die rechtstreeks ressorteerde onder het hoofd van de ordepolitie. Onder de bataljonsstaf functioneerden twee compagnien. Manschappen waren gerecruteerd uit het Nederlandse leger en later ook uit de marechaussee (25). In 1942 vermeldt het dienstverslag ook het bureau economische zaken (belast met economische delicten) en het bureau joodse zaken (belast met zaken voortvloeiende uit de verordeningen betreffende de joden. De politiezorg in Nederland kwam bij Verordening Organisatie Politie (Verordening 147/1942) op 1 maart 1943 in handen van het rijk. Tegelijk met de reorganisatie van de gemeentepolitie tot staatspolitie veranderde de organisatie van de dienst. Er werden drie diensten gecreëerd, namelijk de ordepolitie, de recherchedienst en de bestuursdienst. Elke dienst had een hoofd die direct ressorteerde onder de chef van het korps (26). Het Heerenboekje van 1944 vermeldt dan ook onder rijksbureau het hoofdbureau van politie met als afdelingen de ordepolitie, de recherchehoofdafdeling, het politiebataljon en de bestuursdienst (waaronder vielen de chef kabinet, algemene dienstzaken, comptabiliteit, strafbeschikkingen, economische zaken en sociale politie).

De organisatie in 1946

In 1946 werd deze organisatie uit de bezettingstijd grotendeels overgenomen. De ordepolitie heette nu geuniformeerde politie. Als overkoepelend orgaan werd het bureau hoofdcommissaris ingesteld. De geuniformmeerde politie was een uitvoerende dienst en omvatte de bureaus motordienst, verkeerspolitie, hondenbrigade, bereden politie en het parkeerwezen. De recherchedienst werd onderverdeeld in groepen (A t/m H). Elke groep kreeg specifieke taken:

Groep A: zwendel en oplichting, handel in verdovende middelen;

Groep B: auto- en motorrijwieldiefstallen, diefstal bij posterijen, spoorwegen en grote expeditieondernemingen, heling;

Groep C: valsmunterij, misdrijven gepleegd in overheidsdienst;

Groep D: zedenmisdrijven;

Groep E: zaken betreffende de kinderpolitie;

Groep F: zaken betreffende de vreemdelingendienst;

Groep G: verzoeken justitie- of politieautoriteiten om opsporing en aanhouding, onderzoek naar vermiste goederen, inlichtingen omtrent verdachten die niet onder de andere groepen vielen, politieblad, kaartsysteem verdachten, recherchelijsten, hotelcontrole, gevonden voorwerpen, gratieverzoeken, naturalisatieverzoeken, aanvragen paspoorten, aanvraag doorlatingsbewijzen, (foto)perskaarten, distributiebescheiden, centrale administratie van de recherchedienst. De groep omvat tevens de dienst van de wachtcommandanten der centrale recherche, de transportendienst van verdachten en ongewenste vreemdelingen en verleende assistentie in spoedeisende gevallen;

Groep H: dactyloscopische dienst, fotoatelier en laboratorium.

De bestuursdienst bestond uit een bureau algemene dienstzaken, een bureau economische zaken (bestrijding zwarte handel, economische delicten), een bureau comptabiliteit en een bureau huishoudelijke dienst.

De organisatie van het archief

De organisatie van het archief is tussen 1814 en 1946 een aantal keren gewijzigd. Van 1814 tot ca. 1920 was het archief geordend naar de functies van de gemeentepolitie. De correspondentie werd in series ondergebracht. De series werden onderverdeeld in rubrieken. Omstreeks 1920 gingen de bureaus van het hoofdbureau alle hun eigen archief vormen. Hierdoor kwam de organisatie van het hoofdbureau tot uiting in de archiefvorming. De deelarchieven vormden samen het archief van de gemeentepolitie. Elk bureau vormde zijn archief volgens een zelfde ordeningsstelsel. De stukken werden geborgen in mappen volgens onderwerp. Nog steeds werd het archief dus geordend volgens een rubriekenstelsel. Er werden echter geen series correspondentie meer gevormd maar mappen met stukken die betrekking hadden op een zelfde onderwerp (27). De ingekomen stukken over 1814-1840 zijn geordend op afzender. Waarschijnlijk zijn ze oorspronkelijk chronologisch geordend geweest en pas achteraf herordend en in banden genaaid. De stukken bevatten twee nummers (registratiekenmerken). Eén van de nummers correspondeert met het nummer in de kolom 'nummer van orde' van de agenda die eveneens in de band is ingenaaid. Over de jaren 1841-1842 zijn de ingekomen stukken chronologisch geordend. Bij de serie ingekomen stukken bestaan agenda's. De uitgaande stukken, bewaard gebleven tot 1831, zijn chronologisch afgeschreven in registers. Bij deze registers ontbreken agenda's. De uitgaande stukken vanaf 1841 zijn geordend op geadresseerde en afgeschreven in afzonderlijke registers per geadresseerde. Bij deze registers van uitgaande stukken bestaan geen agenda's. De meeste series in deze periode lopen tot 1843, maar de uitgaande stukken aan de gouverneur van de provincie en aan de procureur-generaal bij het provinciaal gerechtshof lopen langer door (namelijk resp. tot 1851 en 1852). Bij deze series zijn geen agenda's. Vanaf 1843 wordt de correspondentie geordend volgens rubrieken. Elke rubriek (onderwerp) heeft een letter gekregen. Binnen de rubrieken wordt de correspondentie geordend in series. Men zou dus kunnen spreken van een gerubriceerd seriestelsel. Bewaard zijn gebleven de correspondentie betreffende de rubrieken dienstzaken (letter I) en algemene zaken (letter M) sinds 1843, de rubriek comptabiliteit (letter A) sinds 1878 en de rubriek personen (letter G) sinds 1913. Bij deze series behoren agenda's en klappers op de agenda's, die niet volledig bewaard zijn gebleven. In dienstregeling Nr.1 van 1878 wordt een overzicht gegeven van de correspondentie die in de volgende rubrieken was verdeeld: A. Administratie a, financieel beheer b, kleeding c, wapens d, gebouwen e, meubels; B. Marktwezen; C. Geheim archief; D. Sluizen en bruggen; G. Personen; H. Goederen; I. Dienstzaken K. Paspoorten en vreemdelingen; L. Openbare vermakelijkheden; M. Algemene zaken; N. Uitstallingen; O. Openbare middelen en vervoer, bouwen en slopen; P. Processen-verbaal; Q. Sollicitatiën; R. Gratificatiën; S. Tapperijen; T. Ontslagen veroordeelden; V. Vervoerswezen. Uit onderzoek in het archief van de afdeling Algemene Zaken van de gemeentesecretarie bleek dat brieven van de gemeentepolitie zich in dit archief bevinden. Daaruit kan worden opgemaakt dat van het archief van de gemeentepolitie veel series met bovengenoemde rubrieken verloren zijn gegaan. In november 1881 werd de drankwet ingevoerd. Er ontstond een nieuwe rubriek met de letter SS, waarvan een gedeelte bewaard is gebleven met agenda's (zie ook de paragraaf over vernietiging). De series correspondentie eindigen alle tussen 1920 en 1925. Tussen 1843 en omstreeks 1920 is de ordening van de correspondentie dus bepaald door de functies van de gemeentepolitie en niet door de interne organisatie van het hoofdbureau. Omstreeks 1920 wordt de ordening van het archief gewijzigd. Elk bureau van het hoofdbureau vormde zijn eigen archief volgens een zelfde stelsel van ordening. De stukken werden geborgen in mappen op onderwerp. Er was dus nog wel sprake van een rubriekenstelsel maar de stukken werden niet meer geborgen in series correspondentie maar in mappen. De hoeveelheid rubrieken per bureau was daardoor uiteraard veel groter geworden. Elk bureau kende rubrieken van A t/m Z. Elk bureau hield agenda's bij. Daarnaast bevinden zich in de mappen losse inhoudsopgaven. De mappen bevatten ook stukken van voor 1920. De administratie heeft stukken uit de series van voor 1920 gehaald en deze vanwege het belang voor de administratie gevoegd in de mappen. De bureaus die aan het hoofdbureau waren ontstaan, waren veelal belast met taken die samenvielen met een rubriek van de correspondentie. De correspondentie betreffende de rubriek dienstzaken (letter I) veranderde in de correspondentie van het bureau algemeen beheer, dat later werd vervangen door het bureau hoofdcommissaris. De correspondentie betreffende algemene zaken (letter M) werd de correspondentie van de afdeling algemene (dienst)zaken. Dit bureau van het hoofdbureau voerde dus de letter M op haar correspondentie. De series agenda's van de letters I, M en G krijgen een vervolg in de vorm van indicateurs (met kolom voor dossieraanduiding). Zo lopen van de serie met de letter G de agenda's door tot en met 1921. Vanaf 1922 worden indicateurs gebruikt. Hetzelfde geldt voor de agenda's betreffende de series algemene zaken (vanaf 1923 indicateurs) en dienstzaken (vanaf 1921 indicateurs).

Bewaring en ordening

Overbrenging van archiefbescheiden

In 1928 heeft een overdracht plaatsgevonden van archiefstukken van de gemeentepolitie aan het gemeentearchief. Volgens een aantekening in de marge van een brief van de hoofdcommissaris aan de burgemeester, d.d. 25 oktober 1928 (28) betrof het correspondentie tot en met het jaar 1885. Op 14 en 17 november 1941 heeft een volgende overbrenging plaatsgevonden. Het betrof correspondentie over de jaren 1894-1920 en brievenboeken 1892 1910. Daarnaast werden stukken overgebracht betreffende de nachtwacht, het palingoproer, de kroningsfeesten en de zeeliedenstaking 1911 (29). Uit het dossier betreffende de overbrenging van stukken door de gemeentepolitie, aangelegd en beheerd door de afdeling inspectie van het gemeentearchief, blijkt dat een omvangrijke overbrenging heeft plaatsgevonden op 2 mei 1957. De archiefbestanddelen zijn toen ondergebracht in gebouw CERES, toen een hulpdepot van het gemeentearchief. Een lijst van stukken van deze overdracht bevindt zich in het bovengenoemde dossier. In 1980 heeft een volgende grote overdracht plaatsgevonden van het oud-archief dat zich in het centraal archief van het hoofdbureau bevond. Deze overdracht omvatte stukken lopend tot de invoering bij de politie van het decimale registratuurstelsel op 1 januari 1952. Het betrof dus geen archiefbestanden die nog bij gedecentraliseerde diensten hebben gelegen. De overgenomen bestanddelen zijn eerst in het hulpdepot Rusland 7 geborgen en later overgebracht naar het hoofdgebouw op de Amsteldijk. In 1983 heeft de overdracht plaatsgevonden van registratiekaarten van de vreemdelingendienst (het zogenaamde vreemdelingenbevolkingsregister/verblijfregister) van 1849 tot 1980. Recent heeft een vervroegde overdracht plaatsgevonden wegens ruimtegebrek bij de centrale archiefbewaarplaats van de politie. Daardoor zijn bijvoorbeeld archiefbescheiden van de parkeerpolitie al tot 1984 overgebracht. De overgebrachte bestanddelen omvatten vooral meldingsrapporten van de diverse sectie- of afdelingsbureaus.

Oude orde

De oude orde van het archief was volledig verstoord. In de stellingen zijn nog slechts bestanddelen of delen daarvan te herkennen. Een deel van het archief is voorzien van een voorlopige nummering. Van het gedeelte dat het eerst aan het gemeentearchief is overgedragen, is al eens een plaatsingslijst gemaakt. Deze plaatsingslijst is echter nauwelijks een hulpmiddel bij onderzoek te noemen. Daarnaast bestonden er lijsten van twee series en een lijst van stukken betreffende de registratie van vreemdelingen. Van de overdracht van het dossierarchief na 1920 was een overdrachtslijst gemaakt.

Inventarisatie

Op grond van bovenstaand onderzoek naar de organisatie van het archief is bij de herordening uitgegaan van drie afzonderlijke perioden van archiefvorming: - de periode 1814-1842 (correspondentie geordend op afzender/geadresseerde); - de periode 1843-ca.1920 (correspondentie geordend volgens een rubriekenstelsel) - de periode vanaf ca. 1920 (archief geordend per afdelingsbureau volgens een rubriekenstelsel).

Inventarisatie van het archiefgedeelte van 1814 tot ca.1920

In dit archiefgedeelte kunnen twee afdelingen worden onderscheiden. De eerste afdeling loopt van 1814 tot 1843. In deze afdeling is de correspondentie geordend op afzender/geadresseerde. In 1843 begint een nieuwe afdeling omdat de correspondentie sinds dat jaar is geordend volgens rubrieken. Deze series met verschillende letters (rubrieksaanduidingen) eindigen alle ca.1920. Na dat jaar wordt overgestapt op een ordening naar organisatie. Elk bureau vormde een eigen archief. Stukken betreffende de nachtwacht zijn onder een afzonderlijk hoofdje opgenomen. Vanwege het geringe aantal stukken is besloten de stukken voor 1843 niet als apart archief in de inventaris op te nemen. Dit archiefgedeelte is geïnventariseerd door Bert de Vries.

Inventarisatie van het archiefgedeelte na ca.1920

De derde afdeling van het archief bestaat uit de verschillende archieven van de bureaus van het hoofdbureau. Het betreft archieven van het bureau hoofdcommissaris (algemeen beheer, vanaf november tot augustus 1945 staf der ordepolitie), kabinet hoofdcommissaris met een omvang van, centrale recherche met een omvang van, algemene dienstzaken, verkeersdienst, korps vrijwillige politie, vreemdelingendienst, jeugdpolitie, politiebataljon en de berichtendienst. In de praktijk bleek het echter ondoenlijk in de stukken terug te brengen naar hun oorspronkelijke bureau. Daarom is de indeling naar bureau niet gevolgd en is gekozen voor een indeling naar onderwerp van bemoeienis. Dit gedeelte is geïnventariseerd door Pieter Drieman, Peter Kroesen en Ad Knotter (ordening en eindredactie).

Vernietiging

Vernietiging door de administratie

Uit sommige deelarchieven van de afzonderlijke bureaus zijn al stukken door de administratie vernietigd. Dit blijkt uit de stempels in de indicateurs met de vermelding 'vernietigd'. De agenda's van het bureau hoofdcommissaris bevatten deze stempels al vanaf 1921 en de agenda's van de het bureau centrale recherche zelfs al vanaf 1914. Met name uit de laatstgenoemde agenda's blijkt dat het bureau centrale recherche zelfs op grote schaal stukken heeft vernietigd. Uit agenda's van de bureaus algemene zaken en de vreemdelingendienst blijkt niets van vernietiging van stukken. Waarschijnlijk heeft ook vernietiging van stukken plaatsgevonden voordat men het archief in 1941 verhuisde naar het nieuwe hoofdbureau (zie p.8). Notulen van de reorganisatiecommissie vermelden: 'Noodig is een herziening van de grootte der archieven. Dit blijkt bij de verschillende diensten reeds te zijn geschied, zoodat er geen bezwaren meer zijn tegen de verhuizing' (30). Uit stukken in een map inzake archieven blijkt dat stukken uit de archieven van de secties sinds 1928 zijn vernietigd op basis van een lijst die is goedgekeurd door de gemeentearchivaris Cosquino de Bussy. Bescheiden uit die archieven die niet werden vernietigd, werden aan het gemeentearchief overgebracht. In een nota uit 1951 staat echter vermeld: 'Aan het gem.archief is nog nooit een stukje van de Afdelingsarchieven bewaard' (31). De consequentie hiervan voor de politie blijkt uit een getypte aantekening in de marge van (een doorslag van) een brief van de plv. hoofdcommissaris, J.L. Posthuma, aan de Rijksarchivaris in de provincie Noord-Holland, d.d. 11-9-1951: 'Bij een bezoek aan het gemeentearchief is gebleken, dat van de stukken, welke ieder jaar werden gezonden, niets bewaard wordt. Het heeft derhalve geen enkele zin, dit te hervatten' (32). Overigens hadden vanaf 1943 toen de staatspolitie was ingevoerd, dergelijke jaarlijkse overdrachten niet meer plaatsgevonden. In de bovengenoemde brief schrijft Postuma tevens dat de archiefbescheiden van de afdelingen van ondergeschikte aard zijn, zonder enige cultuur-historisch waarde.

Vernietiging door de archiefdienst

Ook na overbenging zijn verschillende omvangrijke bestanden in het archief van de gemeentepolitie vernietigd. Na rijp beraad is besloten de meldingsrapporten en andere bescheiden van de wijkbureaus te bewaren. De volgende bestanden zijn daadwerkelijk vernietigd. I. Stukken betreffende de advisering door de politie aan de burgemeester inzake de verlening van vergunningen tot de verkoop van sterke drank in het klein (Drankwet 1881, idem 1931). De Burgemeester vroeg aan de politie om advies inzake de verlening van een drankvergunning. De afdeling algemene zaken van het hoofdbureau, vanaf 1896 dienstzaken, vroeg aan de commissarissen in de secties om pré-advies. De pré-adviezen kwamen bij de afdeling binnen en vormden de basis voor het advies van de hoofdcommissaris aan de burgemeester. Het gaat om de volgende bestanden die totaal ca. 23m archief omvatten: - Stukken betreffende pre-adviezen door de commissarissen in de secties inzake verlening van vergunningen tot verkoop van sterke drank in het klein, 1881-1905. 55 pakken - Minuten van uitgaande brieven aan de burgemeester met advies inzake de verlening van vergunning tot verkoop van sterke drank in het klein, 1882-1907. 6 pakken - Dossiers inzake informaties (over personen) aan autoriteiten buiten Amsterdam in het kader van de drankwet, 1948-1951. Met inhoudsopgaven. 5 pakken - Agenda's van de correspondentie betreffende de drankwet (letter SS), 1881-1916. 22 delen - Klappers op de agenda's, 1905-1916. 15 delen - Registers betreffende de registratie van verleende vergunningen inzake de drankwet, 1882-1912. 7 delen - Register oude vergunningen, 1882-1894 - Register volledige vergunning, 1882-(1920) - Register verlof, 1905-1913 II. Dossiers van het bureau kinderpolitie Het betreft persoonsdossiers over de periode 1924-1957, toegankelijk via een kaartsysteem op naam van het kind, opgemaakt op verzoek van en gezonden aan de Voogdijraad. Het handelt dan om verwaarlozing van kinderen door ouders, om slecht levensgedrag van kinderen of om de verzorging van pleegkinderen in pleeggezinnen. Het gaat om volgende ca. 70 m archiefbescheiden: - Rapporten betreffende verwaarlozing van kinderen door ouders, opgemaakt op verzoek van en gezonden aan de Voogdijraad. - Rapporten betreffende slecht levensgedrag van minderjarigen, opgemaakt op verzoek en gezonden aan de voogdijraad. - Rapporten betreffende verzorging van pleegkinderen in pleeggezinnen, opgemaakt op verzoek van en gezonden aan de Voogdijraad. - Klachten over kinderen en/of ouders, met bijbehorende rapporten van onderzoek, al of niet doorgezonden naar de raad voor de kinderbescherming, Pro Juventute of Officier van Justitie. - Afschriften van beslissingen Justitie over onttrekking van kinderen aan ouderlijk gezag. - Aan derden verstrekte inlichtingen over betrokken persoon/gezin. - Aan/van politie of justitie elders toegezonden/ontvangen afschrift-rapporten over minderjarigen. - Rapporten betr. verwaarlozing van kinderen door ouders, opgemaakt nar aanleiding van ingekomen klachten en gezonden aan de Officier, Kinderrechter of Raad voor de Kinderbescherming. - Rapporten betreffende slecht levensgedrag van minderjarigen, opgemaakt naar aanleiding van klachten der ouders of andere personen en gezonden aan de Officier van Justitie, Kinderrechter of Raad voor de Kinderbescherming. - Algemene stukken, niet betrekking hebbende op een der overige onderwerpen (33). Het betreft stukken die vrijwel uitsluitend ook in andere archieven (van de Kinderrechter en de Raad voor de Kinderbescherming, vóór 1956 voogdijraad) (34) aanwezig zouden moeten zijn. Van het archief van de raad voor de kinderbescherming zijn over 1925-1956 alleen de dossiers bewaard waarvan het nummer eindigde op een 1 en een 6. Vanaf 1957 tot en met 1960 zijn alleen de dossiers bewaard eindigend op een 1. Het archief is niet openbaar. In het archief van de arrondissementsrechtbank over 1920-1939 zijn alle dossiers inzake strafrechterlijke en civielrechterlijke ondertoezichtstelling bewaard (in totaal 250 dozen).

III. Series vergunningen afgegeven door het bureau verkeerspolitie (ca. 30 m)

Aanvullingen

In 2000 is een aanvulling op het archief overgebracht (zie rubriek 3). Dit betreft ongeveer 5,5 strekkende meter. In 2009 is wederom een aanvulling aan het archief toegevoegd (zie rubriek 4). Dit betreft stukken die zijn gevormd door het Bureau Joodsche Zaken (Bureau 11) van het Hoofdbureau. Deze stukken zijn vlak na de oorlog in bezit gekomen van het Rijks Instituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD). (Het verhaal gaat dat zij vlak na de bevrijding in een vuilnisbak achter het Hoofdbureau zijn gevonden door een oud-politieman, die deze vervolgens bij het RIOD heeft afgegeven.) Op verzoek van het Stadsarchief heeft het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, de rechtsopvolger van het RIOD, de stukken in 2009 in eigendom overgedragen aan de gemeente Amsterdam, zodat zij konden worden toegevoegd aan het archief van de Gemeentepolitie. Het betreft 0,25 strekkende meter.

Bijlage

Overzicht van de afdelingen en districten, 1928-1974

Tot 1943 was Amsterdam verdeeld in secties. In dat jaar werd er een nieuwe organisatie doorgevoerd. Amsterdam werd nu opgedeeld in afdelingen van de staatspolitie. Na afloop van de Tweede Wereldoorlog werden afdelingen ingevoerd, die vanaf 1962 werden vervangen door districten.

Afdelingen, 1928-1962

  • Afdeling I Mosplein, vanaf 1962 district I - Afdeling II x - Afdeling III Singel, vanaf 1962 district III - Afdeling IV Jonas Daniel Meijerplein - Afdeling V Oostelijke Handelskade - Afdeling VI Warmoesstraat - Afdeling VII Marnixstraat - Afdeling VIII Leidseplein - Afdeling IX Stadhouderskade - Afdeling X x - Afdeling XI Adm. de Ruijterweg, vanaf 1957 Lodewijk van Deijsselstraat, vanaf 1962 district VI - Afdeling XII Overtoom - Afdeling XIV Pieter Aertszstraat - Afdeling XV Linnaeusstraat

Districten, 1962-1974 (1976)

  • District I Mosplein (zie afdeling I) - District II Warmoesstraat (zie afdeling VI) - District III Singel (zie afdeling III) - District IV Linnaeusstraat (zie afdeling XV) - District V Pieter Aertszstraat (zie afdeling XIV) - District 6 Lod. v. Deijsselstraat (zie afdeling XI) - District VII Adm. de Ruijterweg Noten (1) H.J. Versteeg, 'Van schout tot hoofdcommissaris. De politie voorheen en thans' (Amsterdam 1925) 145-148. H. Provo Kluit, De hervorming der policie in Nederland (Amsterdam 1849) 4-5. (2) Provo Kluit, Hervorming der policie, 6. (3) Provo Kluit, Hervorming der policie, 7. (4) Het art. is als bijlage I opgenomen door Provo Kluit, Hervorming der policie, 61. (5) Zie Provo Kluit, Hervorming der policie, bijlage II. (6) Ibidem. (7) Provo Kluit, Hervorming der policie, 7-8. (8) 'Verslag der commissie door den Minister van Justitie benoemd om advies uit te brengen nopens de maatregelen welke tot verbetering van de politie kunnen strekken' (z.pl., maart 1901) 36. Algemeen Rijksarchief. Archief van het ministerie van Justitie, inv.nr. 6503. (9) Zie een commentaar op dit artikel van de wet: 'Verslag der commissie ... nopens de maatregelen ... tot verbetering van de politie'. Algemeen Rijksarchief. Archief van het ministerie van Justitie, inv.nr. 6503. (10) Ibidem, 19-20. (11) Versteeg, Van schout tot hoofdcommissaris, 198. [W.F.H. Oldewelt], 'Overzicht van de organisatie en ontwikkeling van de secretarie der gemeente Amsterdam sedert de invoering van de gemeentewet in 1851. Gemeentediensten en gemeentebedrijven (afzonderlijk) met historisch overzicht' [typescript Amsterdam 1968] 122. (12) J.C. van Leeuwen, 'De Amsterdamse politie aan den vooravond der hervorming' (Amsterdam 1878) 5. (13) 'Naamwijzer en adresboek der leden uitmakende het stedelijk bestuur der stad Amsterdam over den jare 1821' (Amsterdam [1821]). (14) Zie over de nachtwacht: Versteeg, 'Van schout tot hoofdcommissaris', 106 e.v. (15) 'Naamwijzer ...' (1816) (16) Van Leeuwen, 'De Amsterdamse politie', 5 e.v. (17) 'Algemene dienstvoorschriften voor commissarissen van Policie en Hoofd-Inspecteurs Afdeelings-chefs, vastgesteld 26 maart 1888 door de burgemeester Van Tienhoven'. (18) 'Algemene instructie voor ambtenaren van de politie' (1908) (19) Wijziging van de algemene instructie van 1908, d.d. 25 september 1916 (no. 135). Archief van de Burgemeester, 1819-1970, inv.nr. 14. (20) Voorschriften betreffende de politiedienst in de gemeente Amsterdam. (Besluiten burgemeester no. 105, d.d. 2 augustus 1920). Gemeentearchief Amsterdam, Archief van de Burgemeester, 1819-1970, inv.nr. 15. (21) Besluiten burgemeester no. 33, d.d. 12 mei 1922. Archief van de Burgemeester, 1819-1970, inv.nr. 15. (22) 'De Amsterdamsche politie. Bijzonderheden over hare samenstelling en indeeling' (z.pl. 1929) 7 e.v. (23) In de 'Naamwijzer ...' voor het jaar 1923 is het bureau centrale recherche en vreemdelingendienst vermeld. (24) Oldewelt, 'Overzicht van de organisatie', 126-127. Een overzicht van de elf bureaus vindt men ook in het 'Besluit betreffende de inrichting der politie' van 31 januari 1940 (nr. 13). (25) Archief van de gemeentepolitie, bureau hoofdcommissaris, map P3 'Politiebataljon (Alg. Princ.)'. Zie ook het dienstverslag van de politie over het jaar 1941. (26) 'Jaarverslag van Amsterdam 1945' (Amsterdam 1946) (27) Buiten het tijdsbestek van de analyse valt de vermelding in een nota dat per 1 januari 1952 'het registratuurstelsel' zou worden ingevoerd. Bedoeld wordt een decimaal registratuurstelsel. 'Nota inzake het overleg tussen het gemeentearchief (de heer Kikkert) en de gemeentepolitie (mej. de Jong), d.d. 23-7-1951, opgesteld door Kl. Bamberg, hoofdcommies'. (28) Doorslag van een brief van de hoofdcommissaris aan de burgemeester, d.d. 25 oktober 1928. (29) Brief van de hoofdcommissaris van politie aan de gemeentearchievaris, d.d. 4 oktober 1941. De data van overbrenging zijn door een marginale aantekening op de brief bekend. (30) Notulen van de reorganisatiecommissie, d.d. 24 september 1941. (31) 'Nota inzake het overleg tussen het gemeentearchief en de gemeentepolitie'. (32) Ibidem. (33) Tekst letterlijk overgenomen van de 'Staat van voor overbrenging in aanmerking komende archiefstukken'. (34) De raad voor de kinderbescherming is ingesteld bij K.B. van 24 december 1954, Stbl. 602, en in werking getreden op 1 juli 1956, ter vervanging van de bij de burgerlijke kinderwet van 1901 ingestelde voogdijraden.

Process Info

  • P. Kroesen, P. Drieman, B. de Vries, A. Knotter en A.J.M. Kwakernaak