Archief van de Vereeniging Centraal Israëlietisch Krankzinnigengesticht in Nederland

Identifier
NL-SAA-224621
Language of Description
Dutch
Dates
1 Jan 1849 - 31 Dec 2008
Level of Description
Fonds
Languages
  • Dutch
Source
EHRI Partner

Scope and Content

Inleiding

De archiefvormer In 1888 liet de Inspectie van het Staatstoezicht op het Krankzinnigenwezen het toenmalige Joodse gesticht in Amsterdam sluiten vanwege ontoelaatbaar slechte omstandigheden. Een commissie onder leiding van de bankier en filantroop A.C. Wertheim probeerde de benodigde gelden voor een nieuw te bouwen inrichting bijeen te krijgen. Zij slaagde daar niet in: het beoogde bedrag (450.000 gulden) bleek onhaalbaar. De in Amsterdam in 1898 opgerichte Vereeniging Centraal Israëlietisch Krankzinnigengesticht in Nederland (CIK) stelde zich tot doel de plannen voor een nieuw gesticht te verwezenlijken. Met behulp van grote en kleine donaties en met aanzienlijke financiële steun van Provinciale Staten van Noord-Holland kon in 1907 met de bouw van een inrichting gestart worden. Architect Frans W.M. Poggenbeek tekende voor het ontwerp. Hij ontwiep onder meer het Zusterhuis op het Binnengasthuis in Amsterdam en de inrichting Bosch en Duin in Castricum. In 1909 werd Het Apeldoornsche Bosch in gebruik genomen. Het aantal patiënten nam snel toe: van 235 in 1909 naar 542 in 1921. Het aantal personeelsleden bedroeg in 1909 67 en in 1921 144. Het terrein van 36 ha. werd in de loop der jaren uitgebreid met een groot aantal paviljoens, rust- en herstellingsoorden. Sinds 1919 was er in Hilversum een inrichting voor zwakzinnige kinderen, de S.A. Rudelsheimstichting. Voornemens om tot samenwerking te komen liepen op niets uit. Het CIK besloot daarom ook voor kinderen een inrichting op te richten. In 1925 kwam het Paedagogium Achisomog (uw broeder tot steun) tot stand: een internaat voor zwakzinnige en moeilijk opvoedbare kinderen. Voor de kinderen van het P.A. werd in 1926 een voogdijvereniging opgericht : Lesammeiach Hajeled (tot verblijding van het kind). Het CIK breidde ook haar activiteiten in Amsterdam uit: in 1924 richtte zij het Consultatiebureau voor Joodsche Zenuw- en Zielszieken, later Joodsch Psychiatrisch-Pedagogisch Consultatiebureau genoemd, op. In 1929 werd de Stichting Joodsche Psychopaten- en Zwakzinnigenzorg opgericht en in 1933 kwam in Amsterdam het A.C. Wertheimhuis tot stand voor de nazorg van mannelijke ex-patiënten. In 1938 verbleven 825 patiënten in de inrichting Het Apeldoornsche Bosch. In Paedagogium Achisomog werden 68 kinderen verpleegd en het A.C. Wertheimhuis telde 36 patiënten. Nog eens 22 patiënten verbleven in herstellingsoord Hannah; in totaal had het CIK de zorg over 951 patiënten (inv.nr. 369). Ook het aantal stichtingen en verenigingen in Amsterdam breidde zich verder uit. In hetzelfde jaar 1938 vond de oprichting plaats van de Stichting tot Oprichting en Instandhouding van Joodsche Psychiatrische Consultatie-Bureaux en Medisch-Opvoedkundige Bureaux. In de oorlogsperiode kwamen op advies van de in 1941 opgerichte Joodsche Raad alle verenigingen, stichtingen en fondsen op het gebied van Joodse welzijnszorg onder het beheer van de Raad te staan. De vereniging die hiervoor in het leven werd geroepen, de Joodsche Vereeniging voor Verpleging en Verzorging, werd in de wandeling de Jee-Vee-Vier genoemd. De organisatie van de centralisatie heeft lang geduurd, en uiteindelijk heeft de JvVV alleen in 1943 slechts korte tijd gefunctioneerd. Het CIK en bijbehorende instellingen hoorden onder de afdeling Zenuw-en Geesteszieken van de JvVV. De penningmeester van het CIK, K. Lansberg, van wie veel correspondentie uit de oorlogsperiode bewaard is gebleven, was vice-voorzitter van de Commissie van Beheer van deze afdeling. In april 1942 werd het niet-Joodse personeel op bevel van de bezetter ontslagen. Joods verplegend personeel nam de zorg over: veelal jongen mensen uit Amsterdam, die zich in Het Apeldoornsche Bosch veilig waanden voor vervolging. Het onvermijdelijke gebeurde: op 21 januari 1943 werden 1181 patiënten en 52 personeelsleden vanuit Het Apeldoornsche Bosch naar de vernietigingskampen in het oosten gedeporteerd. Allen werden vermoord. In 1945 werd onmiddellijk na de bevrijding de draad weer opgepakt. Er werd een Voorlopig Bestuur van het CIZ ingesteld en een Commissie van Voorbereiding [voor] het Apeldoornsche Bosch en Paedagogium Achisomog. De periode na mei 1945 wordt wel de 'kleine Sjoa' genoemd. De Joden die terugkeerden uit de kampen en de in leven gebleven onderduikers werden bureaucratisch ontvangen. Zij hebben zich moeten inspannen om hun geld en goederen terug te krijgen. Dit gold ook voor Het Apeldoornsche Bosch, waarvan het gebouwencomplex grote schade had opgelopen. Op 1 januari 1946 kwamen de gebouwen weer ter beschikking van het CIK en in april van dat jaar werden de eerste patienten opgenomen in Paedagogium Achisomog en Paviljoen Benjamin. De overige gebouwen van Het Apeldoornsche Bosch werden verhuurd aan Joodse en niet-Joodse organisaties.In 1948 heeft het CIK zich aangesloten bij de Stichting Joods Maatschappelijk Werk. In 1950 verkocht het CIK het gehele complex aan de Staat en aan de provincie Noord-Holland. Er werd bedongen dat de naam 'Het Apeldoornsche Bosch' niet meer gebruikt zou worden vanwege de tragische herinneringen aan deze naam. In 1957 werd de oude naam: Vereeniging CIK niet meer passend gevonden en gewijzigd in: Centrale Vereniging voor de Joodse Geestelijke Gezondheidszorg (JGG). In Amersfoort opende in 1960 Koningin Juliana een nieuwe psychiatrische inrichting voor Joodse patiënten: de Sinaïkliniek, later Het Sinaï Centrum.

Het archief

Een groot deel van de archieven van Joodse instellingen is in de oorlog vernietigd, maar het al voor 1989 in het Stadsarchief aanwezige bestuursarchief van het CIK, met een lengte van ca. 5 meter, is bijna ongeschonden uit de oorlog gekomen. Renate G. Fuks-Mansfeld en Armand Sunier noemen dit in het voorwoord van hun studie 'Wie in tranen zaait ... : geschiedenis van de Joodse Geestelijke Gezondheidszorg in Nederland' (Assen 1997) een gelukkige omstandigheid. Op basis van deze bronnen waren zij in staat de geschiedenis van het CIK en verwante instellingen op het gebied van de Joodse geestelijke gezondheidszorg uitvoerig te beschrijven. In 2004 trof men 43 dozen met archiefmateriaal aan in de kelder van Het Sinaï Centrum dat toen in Amersfoort was gevestigd. Het had een lengte van circa 20 meter. In 2009 werd dit archief naar het Stadsarchief overgebracht. Tijdens de inventarisatie bleek dat dit archief (dat inmiddels het archief van Het Apeldoornsche Bos werd genoemd) een onderdeel vormde van het archief van het CIK. Bevat het reeds aanwezige archief van het CIK vrijwel complete verslagen van Algemene Vergaderingen, van vergaderingen van het Algemeen en Dagelijks Bestuur en van het College van Regenten, het in 2009 aangeleverde materiaal completeert dit met een serie correspondentie vanaf 1904. Ook de verdere archiefvormers, onder andere Paedagogium Achisomog, bleken overeen te komen. Om die reden is het archief van Het Apeldoornsche Bosch geïntegreerd in het archief van het CIK. De aanvulling bevat een groot aantal archiefstukken, dat de patiëntenkant belicht. Meer dan 400 dossiers met corresponderende kartotheken betreffen de patiënten. Ook van het verplegend personeel zijn dossiers en kartotheken aanwezig. Niet alleen van Paedagogium Achisomog, maar ook van de overige bij het CIK aangesloten verenigingen zijn dossiers bewaard gebleven: van het Joodsch Psychiatrisch-Pedagogisch Consultatiebureau en van de Stichting Joodsche Psychopaten- en Zwakzinnigenzorg. Ook van de Reclasseringscommissie bevinden zich dossiers in dit archief. Deze commissie ressorteerde onder de Stichting Joods Maatschappelijk Werk. P.A. Vomberg, secretaresse van het CIK was eveneens secretaresse van de Reclasseringscommissie en om die redenen werden de dossiers vermoedelijk bij het CIK bewaard. Van belang zijn ook de stukken, nagelaten door de artsen J. Kat en N.J. Lobstein. De laatste verzamelde, in het kader van zijn onderzoek naar erfelijkheid van geestesziekten, gegevens van krankzinnigen in 19-de eeuwse inrichtingen over de periode 1849-1883.

Verantwoording van de inventarisatie

Dit archief is gevormd door de Vereeniging CIK met de onder haar vallende instellingen en bureaus. Het CIK hield de organisatie strak in handen. Het College van Regenten, het 'dagelijks bestuur' van Het Apeldoornsche Bosch, bestond uit bestuursleden van het CIK, aangevuld met de geneesheer-directeur. De correspondentie werd voornamelijk door het CIK-secretariaat gevoerd. Brieven gericht aan onder anderen de geneesheer-directeur, aan het bestuur van Lesammeiag Hajeled en aan de administrateur van Het Apeldoornsche Bosch kwamen op het secretariaat van het CIK terecht en werden door de adjunct-secretaris, de voorzitter of de penningmeester van het CIK behandeld. Alle brieven werden bovendien geordend op nummers van één systeem van registers en brievenboeken. In de oorlogsperiode was er sprake van een gecentraliseerde organisatie, de JvVV, en werd het CIK hier een afdeling van. Deze naam werd echter niet consequent gebruikt, veel correspondentie werd gevoerd en ondertekend op de in het CIK gebruikelijke wijze. Om die reden is de correspondentie onder de bestaande archiefvormer gehandhaafd. Enige verwarring kan de naam 'Het Apeldoornsche Bosch' veroorzaken. Het is zowel de algemene aanduiding van het terrein met de gebouwen daarop als wel de inrichting Het Apeldoornsche Bosch. In deze inrichting verbleef het grootste aantal patiënten, maar van hen was slechts één dossier in het archief aanwezig. Van de veel kleinere inrichting Paedagogium Achisomog is een groot aantal dossiers bewaard gebleven.te Een groot deel van dit archief bevat dossiers. Voor wat betreft de dossiers van Paedagogium Achisomog/Paviljoen Benjamin kunnen we het volgende opmerken. De dossiers zijn in de inventaris beschreven op achternaam, in alfabetische volgorde. Van sommige patiënten is meer dan één dossier aangelegd. In enkele dossiers zijn foto's aangetroffen. Deze zijn in fotokaternen opgeborgen. Vrijwel alle dossiers van Paedagogium Achisomog bevatten één of meer schriftjes, waarin het verplegend personeel hun observaties van het betreffende kind hebben opgeschreven. In een aantal dossiers komen politierapporten voor, die in de oorlog zijn opgemaakt door de kinderpolitie. In de rapporten staan de omstandigheden en lotgevallen in die periode van de families en van de kinderen beschreven. De orde in de dossiers is ongemoeid gelaten. De namen zijn vermeld met de geboortedata, in geval van vermelding van overlijden wordt de overlijdensdatum ook vermeld.Een deel van de dossiers is voortgezet en bijgehouden door de Sinaikliniek. De dossiers van Paedagogium Achisomog lijken vrij compleet, maar na een korte steekproef, waarbij de namen werden vergeleken met die in de kartotheken, blijkt dat sommige dossiers ontbreken. De dossiers van het Joodsch Psychiatrisch-Pedagogisch Consultatiebureau, de Stichting Joodsche Psychopaten- en Zwakzinnigenzorg en de Reclasseringscommissie zijn zeer onvolledig. Geboortedata ontbreken soms, voornamen van patiënten/clienten worden soms enkel met initialen vermeld; ook kunnen voornamen ontbreken. Om de identificatie zo compleet mogelijk te maken, zijn de dossiers doorgezocht op geboortedatum. Een enkele keer circuleren verschillende geboortedata in het dossier. Wanneer een geboortedatum ontbreekt, is geprobeerd een schatting te maken aan de hand van de opgegeven leeftijd. Bij de reclasseringsdossiers is dit echter in de meeste gevallen achterwege gelaten vanwege de schaarse gegevens. Een gissing maken is dan niet meer verantwoord. Voor wat betreft de correspondentie: deze serie heeft voor de periode na 1933 een voorbewerking ondergaan door kennisinstituut Cogis. Deze organisatie heeft regesten (korte samenvattingen) gemaakt van de meest belangrijk geachte brieven en documenten. De regesten zijn verwerkt in een Excel-bestand en als microbestanden aan de inventarisnummers toegevoegd. De nummers bij de beschrijvingen in de inventaris verwijzen naar de bestanden, die op die manier doorzocht kunnen worden op de inhoud van de documenten. Niet alle inventarisnummers zijn openbaar. Wetten en regelgeving op het gebied van privacy- en persoonsbescherming vormden de leidraad bij het vaststellen van de openbaarheidsbeperkingen. Medische dossiers zijn pas 100 jaar na de geboortedatum openbaar. Indien nabestaanden raadpleging van groot belang achten, kunnen zij een verzoek indienen aan de Raad van Bestuur van Het Sinai Centrum. Alle archiefbescheiden, die gegevens bevatten over nog levende personen, zijn niet openbaar gedurende het leven van de betreffende personen, zoals neergelegd in de Wet Bescherming Persoonsgegevens. Tot slot: in het Stadsarchief wordt ook het archief van de familie Poggenbeek bewaard (toegangsnr. 30466). Hierin is ook materiaal te vinden van de bovengenoemde architect van Het Apeldoornsche Bosch, Frans W.M. Poggenbeek.